Categorie archief: Natuur en milieu

Waar zijn de vogels?

‘t Was een prachtige zomer. Maar de nazomer klinkt niet goed. Nog veel warme dagen, dat wel. Maar… ik mis iets. Er ontbreekt hier vogelgezang en gekwetter. In het najaar wordt mijn druivelaar normaal scherp in het oog gehouden door gevederde bendes. Een opening in de netten hebben ze meteen gevonden. Druifjes die er door vallen (honingzoete, kleine pitloze snoepjes), blijven nooit lang op de grond liggen. Dit jaar moet ik ze zelf oprapen om ze aan de kippen te voeren.

Vanmorgen een wandeling gemaakt. Bos, veld, boomgaarden, weiden… Heerlijk rustig. Maar veel te stil. Oké, ik zag eksters, enkele mussen en een koolmees bij de woningen in de buitenwijken. Zelfs een merel, en die jongens hebben het echt wel moeilijk gehad met het Usutuvirus. Deze zomer opnieuw. En ik hoorde kraaien, en een sijsje. En zag enkele Turkse tortels. Maar het was echt veel te stil. Alleen stalen vogels trekken witte strepen door de lucht. Veel.

Het is een prachtige, warme nazomerdag. De thermometer die half in de zon onder de druivelaar toekijkt hoe ik in short en met een zonnehoedje wat letters in mijn notebook ram wijst om half vier hier 27°C aan. (5 oktober) Er ligt overal een overvloed aan fruit in de boomgaarden. De meidoorn, de kastanjes en de noten zijn klaar. Voedsel ligt overal voor het grijpen. Maar vogels zijn er amper te zien. Veel te weinig.

Is dit lokaal? Toevallig? Zit de grote reddingsactie er voor iets tussen? Ik bedoel die waarbij buxuseigenaren regelmatig en overvloedig hun altijd groene, maar nu geelwordende struiken van de buxusmot probeerden te redden? En samen met de vergiftigde rupsen en motten mogelijk ook de vogels drastisch hebben uitgeroeid.?

Zolang ik aan het typen was: niet één vogel gehoord of gezien. En dat is hier echt niet normaal. Ik hoop dat het terug nog wat goed komt. Momenteel kan ik fluiten naar het gefluit.

De lynx is los: scherpe ogen en klauwen

Af en toe moet ik op de website toverleven.cultu.be (i.v.m. zelfvoorziening) wat aanvullingen maken. Het plaatselijke wildbestand had hier tot voor kort een paar uitgestorven soorten niet meer. Bijvoorbeeld de bever, de otter, de wolf. Terug van weggeweest. En ook de lynx.

De lynx (of los)  is het derde grootse roofdier van Europa, na de bruine beer en de wolf. Zo goed als uitgestorven in centraal Europa: het solitair levend dier heeft een territorium nodig van een paar honderd tot 1.000 km² woud, en de zeer dicht behaarde huid was driemaal duurder dan sabelbont… Hij werd dus gretig bejaagd. Na herintroductie (Duitsland..) worden na drie eeuwen in 2004 in België opnieuw lynxen gesignaleerd o.a. in de Hoge Venen.

De woorden lynx en los komen van het Germaanse luhs met een Indo-Germaanse wortel leuk, dat ‘lichten’ betekent en verwijst naar de fonkelende ogen. Via het midden-Hoogduits werd het in het Angelsaksisch lox, noordelijker ‘los’. Ook het Latijnse lynx verwijst via het Griekse lúnx (van het Proto-Indo-European *lewk), naar ‘licht’ in de ogen van de kat, en haar vermogen om in het duister te zien.

Er is een zwakke link met de legende van Lynceus en de Argonauten. Die had bijzondere ogen waardoor hij “op de bodem van de zee en door een muur van vier voet kon kijken”, en zelfs in de toekomst.

De Euraziatische lynx of los (Lynx lynx) is een katachtig roofdier ter grootte van een herdershond en verwant aan de op het Iberisch Schiereiland levende pardellynx (Lynx pardinus).

Lynxen zijn vrij zeldzame en schuwe middelgrote katten met kenmerkende oorpluimen. Ze jagen bij voorkeur vanuit een hinderlaag of bespringen als goede klimmers hun prooi vanaf een tak. Ze jagen vooral op hazen (Lepus), reeën (Capreolus capreolus) en gemzen (Rupicapra rupicapra), knaagdieren en hoendervogels als patrijzen (Perdix perdix) en korhoenders (Lyrurus tetrix).

De lynx eet gemiddeld één kilogram per dag. De prooiresten bedekt hij met vegetatie en grond om ze tot 6 dagen als voorraad te gebruiken.

Naast de tot vier centimeter lang haarpluimen die als antennes op de oorpunten staan zijn bakkebaarden, lange, zware poten, en de gevlekte huid (vooral op de poten) kenmerkend. De staart is kort (11 tot 25 cm) met een zwart puntje. Lynxen zijn goed tegen kou bestand, dankzij de dichte roestbruine tot geelbruine vacht en de haarkussens aan hun voeten. De kop-romplengte ligt bij een volwassen lynx tussen de 80 en 130 cm, de schofthoogte tussen de 60 en de 75 cm, gemiddeld 65 cm. Lynxen wegen 18 tot 25, soms tot 38 kg.

Mannetjes hebben aparte territoria die overlappen met die van de eveneens solitair levende wijfjes. Als hol wordt meestal een rotshol gebruikt, maar ook een dassenburcht of dicht struikgewas.

Na de paartijd van januari tot maart volgt een draagtijd van ongeveer 74 dagen. Tussen de één en de vijf, meestal twee à drie jongen worden in mei of juni geboren. De oogjes gaan na 16 à 17 dagen open. De zoogtijd duurt twee tot vijf maanden. Ze verlaten het nest pas na 4 maanden en blijven ongeveer 12 maanden bij de moeder. Vrouwtjes met jongen hebben slecht eens in de drie jaar een nest. Het mannetje helpt de eerste twee maanden mee met de zorg door voedsel voor de moeder te brengen.

Een mannetje is na ongeveer 30 maanden geslachtsrijp, een vrouwtje na 22 maanden. Een lynx wordt maximaal 20 jaar oud, gemiddeld 15 jaar in het wild en 17 jaar in gevangenschap.

Wolvin Naya en blauwe bosbessen

Het was aangekondigd als een Avontuurlijke Startwandeling in het brongebied van de Zwarte Beek in Hechtel. Vrieskoud, met de aankondiging van wat verdwaalde sneeuwvlokjes. Dat kon toch nog een 20-tal liefhebbers verleiden om warme mutsen en waterdichte laarzen aan te trekken. En voor de gelegenheid was er toestemming van het leger om militair terrein te betreden.

Toen we de burgerlijke weide- en hooilanden hadden verlaten om in het kakigroene oefenterrein te duiken kregen we een Google Earth kaartje te zien met gele punten en verbindingslijnen. De recente trajecten van Naya. Haar halsbandzender stuurt met regelmatige tussenpozen een gps-signaal naar de volgcomputer van de Technische Universiteit van Dresden, 500 km verder. De verbinding van die punten levert haar reisroute op.

Blijkbaar bevalt onze wandelomgeving haar. Nergens anders kwam ze zo vaak of verbleef ze zo lang. We zouden er naar kunnen uitkijken. Of allemaal een rood kapje opdoen. Of luid gaan huilen. Mocht het wat gesneeuwd hebben, dan was er mogelijk een kans om een spoor te vinden. Uiteindelijk kregen we heel wat sporen te zien.

Modder en nat zand zijn zeer geschikt om indrukken vast te houden. We zagen waar de everzwijnen hadden huis gehouden. Aan reeën was er absoluut geen gebrek. Hier en daar bespreurden we zelfs voetafdrukken van een wandelaar. Maar vooral, zeer dominant, waren de sporen van zware legervoertuigen. Ik heb nooit goed begrepen waarom er zo nodig in bos en hei moet geoefend gevochten worden. Alsof onze volgende oorlog zich in een bos zal afspelen. Brussel lijkt me realistischer als oorlogsgebied. Als er door ooit moet gevochten worden, vluchten onze militairen allicht massaal naar het bos.

Op de wandeling kreeg ik te horen dat de stengels van de blauwe bosbes groen blijven en bladgroenwerking hebben, waardoor de struik al vroeg in het voorjaar onder bladloze bomen, en nog voor de struik blaadjes heeft, toch al de fotosynthese kan starten en wat voorsprong kan nemen.

De blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) is een vaste plant uit de heidefamilie (Ericaceae)  De kantige twijgen zijn groen en worden hoogstens 60 cm.
De blauwe bosbes kleurt je lippen en handen blauw. Je kan ze verwerken in allerlei bereidingen.

Vooral in taalgebruik wordt ze nogal eens verward met de blauw(e) bes.

De blauwe bes (blueberry, Noord Amerikaans,Vaccinium corymbosum) wordt op grote schaal commercieel geteeld. Ze bloeit in trossen.
De struik kan tot 2 meter hoog worden. De bes is zoeter en heeft wit vruchtvlees en niet kleurend (afgevend, vlekken makend) sap, terwijl de blauwe bosbes rood vruchtvlees heeft en wel kleurt.
De bessen hebben net als druiven een witte waslaag. Ze zijn dikker dan de blauwe bosbes.

 

De rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea, ook vossenbes), is eerder zeldzaam, maar komt hier in de Limburgse Kempen ook voor.  De rode bosbes is groenblijvend (behoudt haar blad). De struikjes blijven laag. De bessen groeien per +-5 aan het einde van een stengel. Ze zijn wrang en zuur van smaak en worden vooral gebruikt voor het maken van jam of gebak. Hybriden bestaan (maar weinig).

Dat weetje over de blauwe bosbes met groene stengel vond ik interessant. Maar ik vind er eigenlijk nergens een bevestiging voor. Weet iemand of dit klopt? En of nog andere struiken hier gebruik van maken?