Categoriearchief: Zelfvoorziening

Wereldwijd insectenmenu

In Thailand at ik gefrituurde meelwormen. Lekker? Het leek wat op chips. Zonder kruiden en zout heeft het weinig smaak. Hetzelfde kan je zeggen van hedendaagse industriële kip. Het lijkt me dus gewoon een evenwaardig alternatief. De meelworm (van de meeltor, Tenebrio molitor)  leeft in de natuur van vermolmd hout, maar kan een plaag zijn voor graan- en meelverwerkende bedrijven. Ze bevatten veel proteïnen (eiwit) en zijn prima voer voor vogels, reptielen, vissen en zelfs mensen. Laat ze een dagje op beschuit lopen om zich schoon te poepen.

Meelwormen kunnen plastics (Polystyreen, isomo) eten en giftige stoffen afbreken. Ongeveer de helft van het polystyreen scheidden ze uit als kleine, gedeeltelijk afgebroken fragmenten, de andere helft als CO2. Ze kunnen nadien nog als veilig voedsel voor andere dieren dienen (Stanford University 2019). De HBCD-resten (vlamvertrager hexabromocyclodode) en andere uitgescheiden veelgebruikte plastic-additieven vormen dan nog steeds een gevaar voor het milieu.

Zijderups is een populair gerecht in Korea (bekend als Bon Daegi). Het is een eetbaar bijproduct van het zijde-oogst proces. De worm van de moerbeivlinder (Bombyx mori) is naast de honingbij, een al zeer lang gedomesticeerd insect.

Bij diverse soorten rupsen wordt de darminhoud uitgeknepen, waarna ze worden gekookt en gedroogd in de zon.

Tequila is een soort mezcal die we drinken met een schijfje citroen (of limoen) en een snuifje zout, zonder worm. Die larven van een vlinder of mot vind je wel in Mezcal (agave of mezcal worm) in 2 soorten.

De witte maguey wormen (meocuiles) zijn rupsen van een vlinder (Aegiale hesperiaris) die op agaveplanten leeft (Centraal Mexico). De larven eten het vlees van de stengels en wortels.

De meer gebruikte rode maguey wormen (chilocuiles, chinicuiles of tecoles) zijn de larven van de mot Comadia redtenbacheri of Hypopta agavis (Mexicaanse staat Oaxaca).

Ook een korenworm (Scyphophorus acupunctatus) van de agave snuitgraankever wordt hiervoor gebruikt. Deze Picudo del agave – larven worden ook geroosterd en gegeten in het zuidoosten van Mexico.

De grote wasmot (Galleria mellonella) is een nachtvlinder uit de familie Pyralidae, de snuitmotten. Waswormen (larven van de wasmot) zijn parasieten van de bijenkorven. Gekweekt op een dieet van zemelen en honing worden ze  geroosterde of gebakken en zijn rijk aan essentiële vetzuren.

Bamboewormen, de larven van de grasmot (Crambinae) worden gebakken gegeten in Thailand.

Vliegenlarven of maden schep je van het vlees af, daarna wassen en koken en je hebt een zeer voedzame maaltijd.

Regenwormen (Lumbricidae) bevatten eiwitten met veel essentiële aminozuren. Je vindt ze overal in vochtige, humusrijke bodem en onder stenen en hout, of in de composthoop.
Ze kunnen na een dag vasten of nadat de darminhoud eruit is geknepen rauw worden opgegeten. Je kan ze ook een paar minuten in schoon en drinkbaar water doen zodat ze zich zelf uitspoelen. Of laat ze een dagje op mos kruipen.
Wormen kunnen goed worden gedroogd en tot poeder vermalen om o.a. in soep te gebruiken. Gedroogd zijn ze een tijdje houdbaar.

Bijen, van larve tot volwassen exemplaren, worden geroosterd of gekookt om hun gif te neutraliseren om ze te eten, en soms vermalen tot een voedzame bloem. De larven (vol koninginnen brei, stuifmeel en honing) worden vaak gebakken in boter.

Wespen hebben van alle insecten het hoogste eiwitpercentage: 81%! In Mexico worden ze algemeen gebruikt in gerechten. Wespenlarven en -eieren werden door de Chinese royalty gegeten als delicatesse.

Libellen worden gebakken op een stokje gegeten in China.

Mieren die gegeten worden: Carpenter mieren, blad-cutter mieren, honeypot mieren en citroen mieren. In Australië eten de Aboriginals honingmieren als zoete snack. Die zuigen hun buik bol met een nectar-achtige substantie. De rauwe mier smaakt naar citroenlimonade. In Colombia eten ze fat ass ants getoast, net zoals popcorn en pinda’s. En in Thailand is de rode mier met eitjes een lekkernij, het liefst gezouten en in de salade.

Termieten (Isoptera) zijn eerder familie van kakkerlakken dan van mieren, en ook eetbaar.

Kakkerlak: om te eten kweek je ze met verse groenten en fruit. Ze kunnen geroosterd, gebakken, gebraden of gekookt gegeten worden. Sissende kakkerlakken uit Madagascar hebben de smaak en structuur van vette kip.

Giant Water Bug: Dit insect -dat lijkt op een kakkerlak- zie je veel in marktkraampjes in Bangkok. Ze worden gebakken in een pittig sausje en in zijn geheel opgegeten of gestoomd en in blikken bewaard. De smaak is zoutig en visachtig.

Een zeer efficiënte methode om kakkerlakken te vangen is de “Vegas roach trap”. Dit is een glazen pot met nauwe opening, gedeeltelijk gevuld met koffiedrab en wat water. De buitenkant kan worden bedekt met ruw plakband, zodat La Cucaracha makkelijker naar binnen kan klimmen. De “Vegas roach trap” is insectvriendelijk omdat andere insecten niet aangetrokken worden.

Zangcicaden (Cicadidae, Auchenorrhyncha: ongeveer 40.000 soorten) Sommige soorten kunnen 17 jaar oud worden,  de nimfen leven ondergronds op plantenwortels. Na het vervellen zouden ze mals en lekker zijn. Ze worden gebakken of gekookt gegeten in de VS, Japan, Thailand en Maleisië. Ze smaken naar een mix van aardappels en asperges.

Krekels (Gryllidae) zijn een familie van insecten (ca 900 soorten) die vooral in warmere streken voorkomen. Ze worden gebakken, gekookt, en geroosterd gegeten in Mexico, Thailand, Cambodja.

Boeren in de Sahelstreek die te last hebben van sprinkhanen verdienen meer met de verkoop van deze vijand dan met het gewas zelf. In Thailand wordt de commerciële waarde van eetbare sprinkhanen geschat op zes miljoen dollar per jaar.

Neushoornkever (Oryctes nasicornis) is een vrij grote brok, ca. 4 centimeter. Ze worden bereid met Thaise kruiden (citroengras, limoen blad, galanga en knoflook) en wat zout en sojasaus.

Geen insecten, maar gelijkaardige, wat vreemde bronnen van eiwitten:

Schorpioen (Scorpiones) is net als kreeft een geleedpotige, maar geen insect. Ze zijn allemaal wat giftig, maar niet allemaal gevaarlijk. Ze worden in Thailand en China voor menselijke consumptie gekweekt, zodat al het gif verwijderd is. Ze worden meestal gefrituurd op een stokje.

Tarantula’s (vogelspinnen) zijn spinachtigen, dus geen insecten Zij (Haplopelma albostriatum) worden voornamelijk gegeten in Cambodja en Venezuela waar ze gebakken worden in olie en suiker. De poten zijn knapperig, maar het lijfje blijft zacht en glibberig. Ze smaken naar krab en noten. Naast slakken als escargots en caracollen kennen we in Europa ook meikeversoep en Casu marzu.

Dode dieren eten

Als vader koteletten uit de pan prikte om te verdelen durfde hij wel eens vragen: “Lust je dit? Het is een stuk van een dood varken!” Als je het voor het eerst hoorde moest je er wel even bij nadenken. Daarna werd die herkomst voor alle vlees vanzelfsprekend, en kwam iedereen op voor de eigen portie.

In onze cultuur worden er zelden (stukken van) niet-dode dieren gegeten. We vinden dit barbaars, behalve voor oesters(?). Desgewenst kan je zelf onsmakelijke filmpjes opzoeken over levend gegeten dieren, als zee-egels in Italië, octopus in Korea, levend bereide vissen in Japan,  dronken garnalen in China, Casu Marzu wormpjes op Sicilie, ed.

Meestal gaan we er van uit dat dieren voor vleesconsumptie gedood worden net voordat het vlees verwerkt wordt. En dat men zo snel mogelijk het bloed laat wegvloeien.

Bij jacht kan er meer tijd liggen tussen het doden en verwerken. Uren, een dag…

Na grote jachtpartijen werd wild vroeger soms dagenlang begraven om het koel te houden en het vlees later te verwerken.

Ook bij het adellijk laten worden (faisandage) werd wild dagenlang ‘gerijpt’ voordat het verwerkt werd.

Eters van reeds dode dieren (karkassen, krengen) noemen we aaseters (ratten vossen, wespen, raven,…).

Gestorven dieren kunnen ziek geweest zijn, daar blijf je best van af. Om nog te zwijgen van vergiftigde dieren. En van alles waar een vreemd reukje aan zit.

Als je strikken of dodelijke vallen plaatst controleer je die geregeld, en weet je dus ook dat het gevangen wild niet (te) lang dood kan zijn.

Maar wat als je een dood dier (vb aangereden) vindt, is dat nog eetbaar? Als ze nog lijkstijf zijn kunnen ze nooit langer dan een paar uur dood zijn, en kan je ze dus net als gestroopt wild eten.

Lijkstijfheid of rigor mortis is het verstijven van het lichaam na overlijden. Het lichaam wordt dan ook koud. Vanaf zo’n twee tot zes uur na overlijden beginnen de spieren (bij de mens) te verstijven. Deze stijfheid blijft ca. 12 uur in stand en verdwijnt geleidelijk weer na ca. 24 uur.

In “De kunst van het overleven” schrijft Rüdiger Nehberg ‘Je moet … in staat zijn een platgereden hond van de straat te schrapen en op te eten. Gooi het vlees … niet weg omdat het al aan het rotten is. …nog waardevol: als lokaas voor andere vleeseters en als broedplaats voor maden. … Die zijn voor jou je reinste krachtvoer.’

‘Vleeseters als honden, katten, zwijnen, ratten, egels enz. moeten wegens trichinengevaar goed gebraden of gekookt worden.’

Let op: door verhitting dood je bacteriën, maar elimineer je niet de mogelijk reeds gevormde gifstoffen.

Merg in een stuk bot bederft zeer snel. Bedervend vlees wordt meestal slijmerig. Vers vlees dat je in warme landen bij de slager ziet hangen is gewoonlijk nog geschikt voor consumptie (ondanks de vliegen). Het wordt geconsumeerd voor bacteriën en eitjes de kans krijgen zich te ontwikkelen.

Gieren hebben speciaal maagzuur dat extreem zuur is en alle virussen en bacteriën doodt,  en ook een uitstekend afweersysteem dat is aangepast om gifstoffen af te breken. Hierdoor kunnen ze zelfs karkassen eten die geïnfecteerd zijn met antrax, varkenspest of botuline. En als het vlees door hun spijsverteringkanaal gaat is er in de uitwerpselen geen spoor van de ziektemaker meer te bekennen. Zo helpen gieren om het verspreiden van ziektes te voorkomen.

2018: door de economische crisis en de energietekorten vallen koelingen in Venezuela uit. Arme mensen kopen goedkoop rot vlees om te overleven. ‘Het ruikt een beetje vies, maar je spoelt het met een beetje azijn en citroen’, zegt Yeudis Luna.

Oudste schroeven

Een eenvoudig kleinood: een schroef. Hoe werd die vroeger, voor de industrialisering, met de hand gemaakt? Een gekke vraag? Bij iemand die (in Vlaanderen) een vijs kwijt is, zit er (in Nederland) een schroefje los: die is niet goed snik. Maar ik ben wat zot gedraaid, en ging dus toch op zoek…

De geschiedenis van de schroef staat op losse schroeven (=onzeker).

Uit hout gesneden schroefdraad werd voor het eerst in Egypte (rond 2500 v. Chr.) gebruikt voor (olijfolie en wijn-) persen. Archytas van Tarentum (428 v.Chr. – 347 v.Chr.) zou er de Griekse (her)uitvinder van zijn. Archimedes (287 v.Chr. – 212 v. Chr.) gebruikte het schroefprincipe in zijn beroemde spiraal om water op te vijzelen. Mogelijk bestond ze al vroeger in Egypte. Ze werd gebruikt voor landirrigatie en om lenswater van schepen te verwijderen. De Romeinen gebruikten de schroef van Archimedes om mijnen te draineren. Ze werd in de eerste eeuw na Christus in ‘Mechanica’ van Heron uit Alexandria beschreven.

Bij de Romeinen werd ook een schroef als slot gebruikt om een grendel of deurbalk vast te zetten.

De moer was in de deur bevestigd. De sleutel (balanagra) paste nauwkeurig op het schroefhoofd.

Ons woord ‘schroef’ komt via het oud Franse escroue van het Latijnse scrofa, net als het Engelse screw. Een geschrift uit 1477 vermeldt al een schruyve. In 1567 werd geschreven dat ‘De persse [is] … van bouen vast gemaect met spien, sluetelen, vysen, oft scroeuen.’

De klassiek Latijn betekenis van scrōfa is (wijfjes)varken. Later ook (varkens)vagina en gat. Een vroeger soms gemaakte link met de schroefdraadvormige varkensstaart is minder waarschijnlijk. Sinds de 18e eeuw spreekt men ook van moeder- of moerschroef, ‘schroefmoer’ en vader- of vaarschroef. Vandaar onze moer. Ook Toon Hermans vond het verband in zijn vertaling uit het Frans: L’ amour = het schroefje. 😊

Als klemwerktuig is het woord een onderdeel van bankschroef en duimschroef. De schroefdraad wordt hier gebruikt om iets te verplaatsen en druk uit te oefenen.

In het Zuid-Nederlands spreekt men van vijs (oud Franse ‘vis’), herkenbaar in vijzel.

De vroegste schroeven werden met de hand gemaakt, geen twee schroeven waren gelijk. Het in vorm vijlen van de schroefdraden op een staafje was tijdrovend en maakte schroeven zeer duur. Van kop tot draad kenmerken vele vijlsporen dit oude handwerk. Spoed (de verplaatsing van de schroefdraad bij één omwenteling) en draadvorm waren onregelmatig.

Waarschijnlijk is de eerste metalen schroef uitgevonden door een Duitse klokkenmaker rond 1513.

De Duitse mijnbouwingenieur Agricola beschreef in 1556 hoe metalen schroeven werden toegepast als beter alternatief voor spijkers.

In 1586 maakte Jacques Besson, hofingenieur voor Charles IX van Frankrijk het eerste schroefsnijapparaat. Na makers van wetenschappelijke instrumenten zoals microscopen, ontwierpen ook klokkenmakers en wapensmeden schroefsnijmachines. Antoine Thiout introduceerde rond 1750 een draaibank met een schroefaandrijving. In 1760 dienden de Engelse broers Job en William Wyatt een patent in voor het eerste automatische schroefsnijapparaat. Hun machine kon 10 schroeven per minuut afsnijden.

In 1770 vond de Engelse instrumenten maker Jesse Ramsden (1735-1800) de eerste goedwerkende schroefdraad-snijdende draaibank uit. Landgenoot Henry Maudslay (1771-1831) vond in 1797 een grotere uit waarmee schroeven in massa konden gemaakt worden. In Amerika vond David Wilkinson in 1798 soortgelijke massaproductiemachines uit.

De Brit Sir Joseph Whitworth is de bedenker van een universele schroefdraad (1841) en standaard.

Ten noorden van het Bodenmeer in Duitsland ligt de burcht Wolfegg. In de bibliotheek ligt een 15e-eeuws boekwerk met de eerste beschrijving van de schroevendraaier. De schroeven waren vooral nodig voor harnassen, maar later ook voor mechanische onderdelen van schietwapens waarvoor wapensmeden de schroevendraaier rond 1740 verder ontwikkelden.

In de natuur komt een schroef-en-moer beenverbinding voor bij de Papua-kever, ze maakt een rotatiebeweging mogelijk. Schroeven zitten in ons DNA. Of tenminste de helixvorm.

Tips & trucs:

  • Gebruik het juiste, goed passende formaat schroevendraaier.
  • Wanneer een schroefgat door slijtage te groot werd kan je het gat groter boren en er een deuvel in slaan om hierin een nieuw gat te boren.
  • Er bestaan one way (eentoerige) of veiligheidsschroeven die inbraakveilig zijn voor sloten en deuren. Je kan ze er in, maar niet er uit draaien.
  • Vastzittende schroeven los krijgen:
    • geef er een paar tikken op
    • of gebruik een slagschroevendraaier
    • verhit de kop met een soldeerbout. De schroef zal wat uitzetten en na afkoeling weer krimpen. En dan lukt het vaak wel.