Dode dieren eten

Als vader koteletten uit de pan prikte om te verdelen durfde hij wel eens vragen: “Lust je dit? Het is een stuk van een dood varken!” Als je het voor het eerst hoorde moest je er wel even bij nadenken. Daarna werd die herkomst voor alle vlees vanzelfsprekend, en kwam iedereen op voor de eigen portie.

In onze cultuur worden er zelden (stukken van) niet-dode dieren gegeten. We vinden dit barbaars, behalve voor oesters(?). Desgewenst kan je zelf onsmakelijke filmpjes opzoeken over levend gegeten dieren, als zee-egels in Italië, octopus in Korea, levend bereide vissen in Japan,  dronken garnalen in China, Casu Marzu wormpjes op Sicilie, ed.

Meestal gaan we er van uit dat dieren voor vleesconsumptie gedood worden net voordat het vlees verwerkt wordt. En dat men zo snel mogelijk het bloed laat wegvloeien.

Bij jacht kan er meer tijd liggen tussen het doden en verwerken. Uren, een dag…

Na grote jachtpartijen werd wild vroeger soms dagenlang begraven om het koel te houden en het vlees later te verwerken.

Ook bij het adellijk laten worden (faisandage) werd wild dagenlang ‘gerijpt’ voordat het verwerkt werd.

Eters van reeds dode dieren (karkassen, krengen) noemen we aaseters (ratten vossen, wespen, raven,…).

Gestorven dieren kunnen ziek geweest zijn, daar blijf je best van af. Om nog te zwijgen van vergiftigde dieren. En van alles waar een vreemd reukje aan zit.

Als je strikken of dodelijke vallen plaatst controleer je die geregeld, en weet je dus ook dat het gevangen wild niet (te) lang dood kan zijn.

Maar wat als je een dood dier (vb aangereden) vindt, is dat nog eetbaar? Als ze nog lijkstijf zijn kunnen ze nooit langer dan een paar uur dood zijn, en kan je ze dus net als gestroopt wild eten.

Lijkstijfheid of rigor mortis is het verstijven van het lichaam na overlijden. Het lichaam wordt dan ook koud. Vanaf zo’n twee tot zes uur na overlijden beginnen de spieren (bij de mens) te verstijven. Deze stijfheid blijft ca. 12 uur in stand en verdwijnt geleidelijk weer na ca. 24 uur.

In “De kunst van het overleven” schrijft Rüdiger Nehberg ‘Je moet … in staat zijn een platgereden hond van de straat te schrapen en op te eten. Gooi het vlees … niet weg omdat het al aan het rotten is. …nog waardevol: als lokaas voor andere vleeseters en als broedplaats voor maden. … Die zijn voor jou je reinste krachtvoer.’

‘Vleeseters als honden, katten, zwijnen, ratten, egels enz. moeten wegens trichinengevaar goed gebraden of gekookt worden.’

Let op: door verhitting dood je bacteriën, maar elimineer je niet de mogelijk reeds gevormde gifstoffen.

Merg in een stuk bot bederft zeer snel. Bedervend vlees wordt meestal slijmerig. Vers vlees dat je in warme landen bij de slager ziet hangen is gewoonlijk nog geschikt voor consumptie (ondanks de vliegen). Het wordt geconsumeerd voor bacteriën en eitjes de kans krijgen zich te ontwikkelen.

Gieren hebben speciaal maagzuur dat extreem zuur is en alle virussen en bacteriën doodt,  en ook een uitstekend afweersysteem dat is aangepast om gifstoffen af te breken. Hierdoor kunnen ze zelfs karkassen eten die geïnfecteerd zijn met antrax, varkenspest of botuline. En als het vlees door hun spijsverteringkanaal gaat is er in de uitwerpselen geen spoor van de ziektemaker meer te bekennen. Zo helpen gieren om het verspreiden van ziektes te voorkomen.

2018: door de economische crisis en de energietekorten vallen koelingen in Venezuela uit. Arme mensen kopen goedkoop rot vlees om te overleven. ‘Het ruikt een beetje vies, maar je spoelt het met een beetje azijn en citroen’, zegt Yeudis Luna.

Hoe wordt ik schrijver? 8

Even heb ik overwogen om als rode draad in dit boek, effectief een rode draad er in op te laten nemen. Maar ik vrees, dat na mijn beledigende uitlatingen over uitgevers, geen enkele uitgever die de boeken die hij uitgeeft ook eerst leest, nog bereid zal zijn om deze extra kosten hiervoor op zich te nemen. Dat betekent dus, beste lezer, dat U het zonder rode draad zal moeten doen. (Met ‘het’ wordt uiteraard het lezen van dit boek bedoeld. In dit geval.) Maar tot groot genoegen van de schrijver, en tot groot ongenoegen van de lezer, laat dit de schrijver toe om van de hak op de tak te springen. Waarvoor dank aan de uitgever. Mocht ik hierdoor mijn vroegere verwijten aan uitgevers weer goedgemaakt hebben, waardoor de uitgever onverhoopt toch nog een rode draad in dit boek wil laten inlijmen, dan wil de lezer wel zo vriendelijk zijn om deze draad er onverwijld terug uit te trekken. Zelfs indien het een boek uit de bibliotheek betreft. Hoewel, een doorlezende uitgever zal zich nu toch wel eens extra bedenken. Hiermee sluit ik dit onderwerp af. Want ik merk bij mezelf wel dat ik alleen al hierover een volledig boek zou kunnen schrijven. Dat is misschien een goed idee voor een volgende boek.

Dit brengt ons meteen terug bij het onderwerp van ons boek. Hoe wordt U schrijver. (tja, IK niet natuurlijk, ik ben het al.) U hebt dit boek gelezen, of althans het begin ervan. Helaas komt U tot de ontstellende ontdekking dat U onvoldoende gefrustreerd bent. U weet helemaal niet waar U een boek over zou kunnen schrijven. En U stelt zich de vraag: “Waar zou ik een boek over kunnen schrijver?”

Schrijver dezes heeft zulke vraag voorzien. Hij heeft dan ook een poging gedaan om een inventaris te maken van de verschillende onderwerpen waarover boeken zoal plegen te handelen. Dit boek inbegrepen. Merk dat ik hier van de ik-persoon naar de hij-persoon ben overgeschakeld. Laat me U waarschuwen. Je moet al een sterke persoonlijkheid hebben om iets dergelijks te realiseren. Waarmee ik maar  wil zeggen…!

Begint U er dus maar liever niet aan.

Terug naar het huidige onderwerp van dit boek, namelijk: het onderwerp van een boek. Voor alle duidelijkheid wens ik hier aan te halen dat mijn overpeinzingen (want van wetenschappelijk onderzoek is ook hier, andermaal, geen sprake!) enkel betrekking hebben op fictie. Wist U trouwens dat overpeinzingen ook betrekkingen kunnen hebben? (Grapje!)

Boeken kunnen velerlei onderwerpen hebben. Daarom zijn er ook zoveel boeken. Bij het tot stand brengen van een classificatie van de verschillende onderwerpen van boeken, heb ik me verplicht gevoeld om iedere onderverdeling onder te verdelen in meerder onderverdelingen. En dan nog is het haast ondoenlijk om alle onderwerpen te klasseren. En zeg nu zelf, een thema al ‘varia’, of ‘allerlei’, zegt eigenlijk niks. Je zou er dus alles onder kunnen klasseren. Hetgeen dan weer een classificatie oplevert die schreeuwt om onderverdelingen. U merkt het: ik ben ruim voldoende gefrustreerd om over ieder onbenullig onderwerp, zelfs dat van een boek, een boek te schrijven.

Tussen haakjes (Ik merkte zopas, toen ik een doos fruitsap uit de frigo nam, dat ik in geval van brand -in dit weekendverblijf- dringend behoefte heb aan een tolk om het Frans op het brandblusapparaat in een voor mij begrijpelijke taal te vertalen. Maar ik zal me wel kunnen behelpen. Water moet Oo! zijn in ‘t Frans.) Maar dit dan tussen haakjes.

Oudste schroeven

Een eenvoudig kleinood: een schroef. Hoe werd die vroeger, voor de industrialisering, met de hand gemaakt? Een gekke vraag? Bij iemand die (in Vlaanderen) een vijs kwijt is, zit er (in Nederland) een schroefje los: die is niet goed snik. Maar ik ben wat zot gedraaid, en ging dus toch op zoek…

De geschiedenis van de schroef staat op losse schroeven (=onzeker).

Uit hout gesneden schroefdraad werd voor het eerst in Egypte (rond 2500 v. Chr.) gebruikt voor (olijfolie en wijn-) persen. Archytas van Tarentum (428 v.Chr. – 347 v.Chr.) zou er de Griekse (her)uitvinder van zijn. Archimedes (287 v.Chr. – 212 v. Chr.) gebruikte het schroefprincipe in zijn beroemde spiraal om water op te vijzelen. Mogelijk bestond ze al vroeger in Egypte. Ze werd gebruikt voor landirrigatie en om lenswater van schepen te verwijderen. De Romeinen gebruikten de schroef van Archimedes om mijnen te draineren. Ze werd in de eerste eeuw na Christus in ‘Mechanica’ van Heron uit Alexandria beschreven.

Bij de Romeinen werd ook een schroef als slot gebruikt om een grendel of deurbalk vast te zetten.

De moer was in de deur bevestigd. De sleutel (balanagra) paste nauwkeurig op het schroefhoofd.

Ons woord ‘schroef’ komt via het oud Franse escroue van het Latijnse scrofa, net als het Engelse screw. Een geschrift uit 1477 vermeldt al een schruyve. In 1567 werd geschreven dat ‘De persse [is] … van bouen vast gemaect met spien, sluetelen, vysen, oft scroeuen.’

De klassiek Latijn betekenis van scrōfa is (wijfjes)varken. Later ook (varkens)vagina en gat. Een vroeger soms gemaakte link met de schroefdraadvormige varkensstaart is minder waarschijnlijk. Sinds de 18e eeuw spreekt men ook van moeder- of moerschroef, ‘schroefmoer’ en vader- of vaarschroef. Vandaar onze moer. Ook Toon Hermans vond het verband in zijn vertaling uit het Frans: L’ amour = het schroefje. 😊

Als klemwerktuig is het woord een onderdeel van bankschroef en duimschroef. De schroefdraad wordt hier gebruikt om iets te verplaatsen en druk uit te oefenen.

In het Zuid-Nederlands spreekt men van vijs (oud Franse ‘vis’), herkenbaar in vijzel.

De vroegste schroeven werden met de hand gemaakt, geen twee schroeven waren gelijk. Het in vorm vijlen van de schroefdraden op een staafje was tijdrovend en maakte schroeven zeer duur. Van kop tot draad kenmerken vele vijlsporen dit oude handwerk. Spoed (de verplaatsing van de schroefdraad bij één omwenteling) en draadvorm waren onregelmatig.

Waarschijnlijk is de eerste metalen schroef uitgevonden door een Duitse klokkenmaker rond 1513.

De Duitse mijnbouwingenieur Agricola beschreef in 1556 hoe metalen schroeven werden toegepast als beter alternatief voor spijkers.

In 1586 maakte Jacques Besson, hofingenieur voor Charles IX van Frankrijk het eerste schroefsnijapparaat. Na makers van wetenschappelijke instrumenten zoals microscopen, ontwierpen ook klokkenmakers en wapensmeden schroefsnijmachines. Antoine Thiout introduceerde rond 1750 een draaibank met een schroefaandrijving. In 1760 dienden de Engelse broers Job en William Wyatt een patent in voor het eerste automatische schroefsnijapparaat. Hun machine kon 10 schroeven per minuut afsnijden.

In 1770 vond de Engelse instrumenten maker Jesse Ramsden (1735-1800) de eerste goedwerkende schroefdraad-snijdende draaibank uit. Landgenoot Henry Maudslay (1771-1831) vond in 1797 een grotere uit waarmee schroeven in massa konden gemaakt worden. In Amerika vond David Wilkinson in 1798 soortgelijke massaproductiemachines uit.

De Brit Sir Joseph Whitworth is de bedenker van een universele schroefdraad (1841) en standaard.

Ten noorden van het Bodenmeer in Duitsland ligt de burcht Wolfegg. In de bibliotheek ligt een 15e-eeuws boekwerk met de eerste beschrijving van de schroevendraaier. De schroeven waren vooral nodig voor harnassen, maar later ook voor mechanische onderdelen van schietwapens waarvoor wapensmeden de schroevendraaier rond 1740 verder ontwikkelden.

In de natuur komt een schroef-en-moer beenverbinding voor bij de Papua-kever, ze maakt een rotatiebeweging mogelijk. Schroeven zitten in ons DNA. Of tenminste de helixvorm.

Tips & trucs:

  • Gebruik het juiste, goed passende formaat schroevendraaier.
  • Wanneer een schroefgat door slijtage te groot werd kan je het gat groter boren en er een deuvel in slaan om hierin een nieuw gat te boren.
  • Er bestaan one way (eentoerige) of veiligheidsschroeven die inbraakveilig zijn voor sloten en deuren. Je kan ze er in, maar niet er uit draaien.
  • Vastzittende schroeven los krijgen:
    • geef er een paar tikken op
    • of gebruik een slagschroevendraaier
    • verhit de kop met een soldeerbout. De schroef zal wat uitzetten en na afkoeling weer krimpen. En dan lukt het vaak wel.