Schapen maakten ons landschap

Schapen associëren we met heide en Kempen. Potstallen die mest verzamelden om een stukje akker vruchtbaar te maken nog veel meer. Niet terecht. Hoor ik bioloog Eddy, de gids van de Vlaamse Landmaatschappij met kennis van zaken vertellen. Het verkavelde landschap, de evolutie en de begroeiing ervan  zijn een deel van zijn job en vakkennis. Ook in Haspengouw bepaalde de begrazing met schapen 100den (tot 1.000den) jaren geleden hoe ons landschap ontstond en er nu uitziet.

Landbouw door bosontginning of brandcultuur put de grond uit. Na enkele jaren moet er een nieuw stuk ontgonnen worden om weer een redelijke gewasopbrengst te krijgen. De grond wordt arm en zuur. Daarom werden dorpen ongeveer om de 2 generaties verhuisd (shifting villages) om 1 a 2 km verder opnieuw opgebouwd te worden. Pas na het ‘uitvinden’ van het ‘mergelen’ (toevoegen van kalk) was er een remedie voor te zure grond, en bleven dorpen op een vaste locatie. Dat mest als voeding voor de planten de verschralende grond verrijkte is eeuwenoude basiskennis van kringlopen in de natuur.

Mest verzamelen kan met een emmer en een schop. Of makkelijker, door beesten op stal te houden. Maar dan moet je voer aanvoeren. Tenzij je schapen op de juiste manier gaat weiden.
Een schaap eet ca. 1 kg groen per uur. Het spijsverteringsstelsel kan tot 8 kilo voedsel bevatten. De vertering begint pas na het herkauwen. Je kan dus ca. 7 uren met schapen rondtrekken om te grazen, voor ze voedsel beginnen te verteren. Dit doen ze pas als ze rusten, ter plaatse blijven. Niet zolang ze in beweging blijven. Onder die voorwaarde zijn schapen dus ideaal om gronden te verarmen, en tonnen mest per kudde te vergaren en ’s avonds pas op een verzamelpunt terug uit te scheiden.

De ontdekking van dit mechanisme maakte onze landbouw mogelijk, omdat er na de afvoer van veldopbrengsten nood was om vruchtbare stoffen, mineralen ed. terug aan te voeren. Deze kennis heeft West-Europa een enorme voorsprong gegeven op het vlak van landbouw. Ook in Haspengouw werd er met kuddes schapen gegraasd op wegbermen, geoogste velden, in bossen, op moeilijk toegankelijke en natte beemden en beekvalleien.

Zo zorgden schapen door het rondtrekken ook voor de verspreiding van zaden via de grond tussen hun hoeven en zaadjes in hun wol. Dit is o.m. onderzocht door een prof die een jaar lang met zijn fiets door het landschap reed, en telkens het schoongemaakte schapenvel dat hij vervoerde controleerde op zaden.

Het belang van de herder die meestal in gemeenschapsdienst werkte als mestleverancier voor de akkers is in vele dorpen etymologisch nog terug te vinden in straatnamen die we nu vaak niet eens meer begrijpen. De Misweg wordt vaak verondersteld te verwijzen naar de kerk, en de mis. Maar in veel dialecten is het woord voor mis en mest nog steeds gelijkluidend. (Meis – in gezongen Limburgs.)  Waarbij de mest voor ons dagelijks brood veel belangrijker was de mis.

Veel van deze gebruikte wegen ontstonden doordat de herder de schapen ’s morgens snel uit het dorp en door de akkers moest brengen. Zonder hen de kans te geven te ontbijten in de omhaagde tuinen en akkers. Vandaar dat er grote, brede routes vanuit het dorp vertrokken. Bij terugkomst met een volle maag stelde dit probleem zich niet. Bredeweg, of Grote weg zijn nog verwijzingen naar de routes om de kudde snel naar de foerageerplekken te leiden. Ook Herdweg, of Herenweg zijn zo nog te linken aan het herdersvak.

Allicht zijn er nog veel meer plaats- en straatnamen die verwijzen naar het belangrijk gebruik van mest, schapen en herders. Aanvullingen zijn welkom!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.