Categoriearchief: Uncategorized

Uilenogen en- oren zijn speciale sensoren

Uilen (Strigiformes)  zijn niet verwant aan roofvogels, maar worden wel nachtroofvogels genoemd. Er zijn twee families: de echte uilen (Strigidae, 191 soorten als oehoe, steenuil, dwerguil…) en de kerkuilen (Tytonidae, 19 soorten). In Vlaanderen en Nederland vinden we de velduil (Asio flammeus), steenuil (Athene Noctua), ruigpootuil (Aegoleus Funereus), ransuil (Asio otus), oehoe (Bubo bubo),  kerkuil (Tyto alba) en  bosuil (Strix aluco). De oehoe (soorten) is de grootste uil op aarde! Hij kan zelfs een huiskat en de havik als prooi verschalken. De oehoe is 75 centimeter groot en heeft een spanwijdte tot 188 centimeter.
Ons kleinste uiltje, de steenuil is nauwelijks groter dan een merel (21-23 cm).

Een kenmerk van deze nachtvogels is dat de speciale verenstructuur en de van dons voorziene veren praktisch geen geluid maken tijdens het vliegen. Hun verenpatroon heeft een prima schutkleur die vaak op boomschors lijkt. Ze hebben een rond, afgeplat gezicht met grote naar voren gerichte ogen.

Er was een veronderstelling dat de kleur van hun ogen aangaf bij welke lichtsterkte ze gingen jagen:
(Uilen met oranje ogen, zoals de oehoe, vliegen meestal in de schemering.
Uilen met zwarte ogen, zoals een kerkuil, vliegen meestal ’s nachts.
Uilen met gele ogen, zoals de steenuil, vliegen ook overdag.)
Maar dit zou een fabel zijn, een soort urban legend, niet gestaafd door feiten of onderzoek. Zowel de oranje-ogige ransuil als de ruigpootuil met felgele kijkers trekken er bijvoorbeeld vooral ‘s nachts op uit.

Ze kunnen niet scherp zien op korte afstand maar hebben een uitstekend verzicht, ook ‘s nachts.
De grote oogbol is langwerpig en bijna buisvormig. De ogen maken 5% van zijn lichaamsgewicht uit! Mensen zouden in verhouding iets als sinaasappels in hun oogkassen hebben.
Door de oogvorm  kan het beeld als door een telescoop worden vergroot en kan de uil beter diepte en afstand schatten.
Door de vorm zijn de ogen  niet draaibaar in de oogkassen. Maar uilen kunnen hun kop wel 270° of 3 kwart draaien. Met zijn 14 nekwervels en een speciaal botje kan hij zijn kop ronddraaien of ondersteboven keren zonder zijn schouders te bewegen. (Mensen hebben 7 nekwervels.)
Onze ogen hebben zo’n 200.000 lichtgevoelige staafjes per vierkante millimeter, die van uilen één miljoen.

De gezichtssluier verbetert het gehoor van de uil. Hij loopt met de wenkbrauwen rond het hele hoofd, snavel inbegrepen. Het lijkt een soort trechter naar de oren. Bij uilen die ‘s nachts jagen is de gezichtssluier beter ontwikkeld dan bij uilen die overdag jagen.
De gehooringangen mag je niet verwarren met de pluimpjes die sommige uilen op hun hoofd hebben om te imponeren. Die geven vooral hun gemoed aan, bij dreiging staan ze alert recht overeind. Als hij ontspannen is liggen de oorpluimen plat op zijn kop.

Uilen hebben een enorm goed gehoor. Ze kunnen in complete duisternis hun prooi vinden. De oren zijn asymmetrisch: de ooropeningen links en rechts zitten niet op dezelfde hoogte en kunnen ook van vorm (in de huid, maar ook in de schedel) en oordeksel verschillen. Uilen zijn de enige groep dieren waarbij niet-symmetrisch geplaatste oren zijn gevonden.

Roofvogels hebben drie klauwen naar voor en één klauw naar achter gericht. Uilen hebben twee klauwen naar voor en twee naar achter.
Het voedsel van uilen bestaat voor 80% uit muizen, een gemiddelde van 2 tot 3 muizen per dag als ze geen jongen hebben te voeden. Ransuilen spugen een braakbal per dag uit als ze tot drie veldmuizen hebben gegeten. Vanaf 3 volgt een 2de. De braakbal zit vol met onverteerbare resten als beenderen, haar en pluimen. Hij worden tien tot twintig uur na de jacht uitgebraakt. Ook de hapjes verschillen: 3 tot 4 dikke veldmuizen kunnen volstaan,  en 8 tot 10 spitsmuizen is ongeveer evenveel.

Deze nachtjagers kunnen dus een waardevolle bondgenoot zijn in je strijd tegen kapers van je (winter)voorraden. Daarom werden er vroeger onder de nok van zolders waar graan ed. werd gestockeerd een rond, open gat gemetseld: een uilengat.
Uilen maken geen nest, ze zoeken beschutte holten of droge donkere plaatsen. Afhankelijk van de voorkomende soorten in je regio kan je dus uilenkasten met aangepaste opening en vorm vrij hoog ophangen (3 tot 6 meter). Doe er wat zaagsel of droge bosgrond in.

http://vogelbescherming.be/informatiecentrum/een-tuin-voor-wilde-dieren/nestkasten-voor-vogels/bouwplannen-voor-nestkasten

De eieren van uilen hebben geen schutkleur en zijn veel ronder en witter dan die van andere vogels. In de broedtijd wordt het vrouwtje 3 weken lang verzorgd door het mannetje.  Om hun jongen te voeden nemen roofvogels hun prooi altijd in de klauwen mee, terwijl uilen daarvoor hun snavel gebruiken.

Jonge uilen worden ook wel “prullen” genoemd.
Een groep uilen heet een parlement. Echt!

Een uil staat symbool voor wijs én dom. Wijs als een professor in de Fabeltjeskrant en Pallas Athena, de Griekse godin van de wijsheid met haar vaste begeleider de uil (als“ vogel van de wijsheid”). Maar ook dom als een onnozel uilskuiken. Beide standpunten worden verenigd in een spreuk: iedere wijze uil is ooit een uilskuiken geweest (wijsheid komt met de jaren).

Zuinig water vangen en recupereren voor de tuin

Droge zomer, droge tuin… Waar recupereren we nog wat extra water?

Uiteraard zorg je er voor dat je regenwater kan opvangen. Als het zelden of weinig regent loont het de moeite om tijdig (en tijdelijk) extra zeilen te spannen om de druppels te verzamelen.

Vooral via goten aan de daken, en via de afvoerbuizen kan je handig collecteren. Er bestaan in de handel en de doe-het-zelfzaken meerdere soorten kant en klaar ‘automaten’ om regen via de pijp af te vangen (soms ‘regendief’ genoemd). Je kan ook zelf een systeempje in elkaar knutselen. De overloop leid je naar 1 of meer tonnen. Volgende exemplaren staan dan telkens iets lager (in ‘cascade’), en worden automatisch via een overloop gevuld als de vorige vol is.

Je kan op de toevoer filters voorzien, bv eerst een bladvanger van kippengaas, (een bezinkputje of bakje) wat verder een zeef van vliegengaas (of glasgordijn), en eindigen met een nylonkous.

Zorg dat de tonnen hoog genoeg staan om aan de onderkant een kraantje te maken waar een gieter of emmer onder kan, of waaraan je een tuinslang (voor korte afstanden) vastmaakt. Maak de vaten leeg voor het gaat vriezen zodat ze niet barsten door het uitzettende ijs. Bij lichte vorst kan je dit opvangen door meegevende drijvers op het water te leggen (hout, een lege waterdichte doos,..)

Dek alle openingen af, zodat er geen muggen in kunnen. Anders worden het kweekpoelen. Weer zoveel mogelijk zon en licht, om algengroei te beperken.

Zeer handig voor de opslag van hemelwater zijn de pallet-grote IBC-tanks (Intermediate Bulk Containers, gepatenteerd in 1992). Als tenminste je leverancier betrouwbaar is inzake de (chemische samenstelling van de) inhoud. Ze worden gebruikt in de industrie voor opslag en transport van vloeistoffen en zijn makkelijk stapelbaar, herbruikbaar en verplaatsbaar (met vorkheftruck of transpallet).

Bij recentere woningen is regenwateropvang verplicht. Meestal wordt er dan een pomp voorzien om dit grijze water te gebruiken voor toilet, wasmachine ed.

Op hellingen kan je terrassen aanleggen. Je krijgt dan vlakke delen om gewassen op te telen, en het afstromende regenwater wordt hierdoor ook vertraagd en opgevangen. Ook contourploegen is een optie.

Als er soms hevige buien zijn loont het de moeite om op lagere punten een verzamelbekken of vijver te voorzien (en zoveel mogelijk waterdicht te maken natuurlijk).  Zorg errond voor schaduw, plant wilgen. Kweek eventueel eendenkroos.

Je kan uiteraard ook een put graven, boren of slaan. Of waar dat toegestaan is oppervlaktewater opvoeren (vijver, sloot, rivier…).

Water dat je kan recupereren:

  • Keuken: was en spoelwater (van zonder sproeistoffen geteelte producten). Kooknat eerst laten afkoelen.
  • Wasmachine: het waswater (met weinig bio-zeep) en het spoelwater
  • Poetsen, ramen zemen: idem, met spons of dweil kan je water terug opvangen of opnemen.
  • Badkamer: water met weinig biologische zeep is bruikbaar
  • Plas in een bokaal of fles(met grote opening) zodat je de urine kan verdunnen voor gebruik, of rechtstreeks in de tuin (maar niet steeds op dezelfde plekjes). Spaar veel water door een composttoilet te gebruiken.

Houd de bodem ook tussen de gewassen bedekt met mulch of begroeiing. Dat zorgt voor schaduw overdag, en voor dauw en condens ’s morgens. Het weinige water dat je hebt gebruik je natuurlijk erg zuinig, bv met een olla pot.

Bij erge en langdurige droogte kan je gaan nadenken over nevelvangers of dauwschermen zoals die in de Andes gebruikt worden, of over condenspotten (type Waterboxx).

Zuinig met water in een droge tuin

Help je groenten en gewassen hitte en droogte te overleven. Ieder beetje hulp kan verschil maken. Wat zorgt voor uitdroging? Lage grondwatertafel en weinig neerslag. Maar ook wind! Zon. Een luchtige, losse bodemstructuur.

Wind en zon kan je temperen door hogere beplanting tussen lagere gewassen, of door op perceelranden struiken of een (eetbare) haag te zetten. Vermijd lijnrechte structuren en rijen, plant of zaai liever afwisselende soorten in een zeshoekig patroon, of in spiraalvormen.

Een bijkomend hulpmiddel voor wat schaduw en als windbreker is reliëf in de tuin voorzien. Maak de tuin niet vlak, voorzie bedden en ruggen (ook beter niet lijnrecht). Pas hier en daar Hügelkultur toe. (Gracht graven, vullen met een houtberg, en terug afdekken met de uitgegraven aarde.)

De grond zal minder uitdrogen als je zorgt dat die bedekt is en blijft. Dat kan door te mulchen met organisch materiaal. Bij gebrek daaraan kan je ook karton of zelfs keien gebruiken. Of (lage) begroeiing zoals klaver en vogelmuur. Bedekking kan ’s ochtends ook condens vangen. Dauw ontstaat als de temperatuur van de lucht daalt tot onder het dauwpunt waarbij de waterdampdruk van de luchtlaag vlak boven de aarde het verzadigingspunt bereikt.

De ondergrond is liefst vochthoudend. Vocht doorlatend zijn kiezel, grind en zand. Fijnere partikels laten minder lucht en verdamping toe. Ga dus liever niet (veel en diep) ploegen, woelen of graven. Leem met compost is prima. Een humusrijke, zwarte bovenlaag is ideaal. Op minder geschikte grond kan je het zaï-principe toepassen. Maak een put(je) in de grond (zand) en doe daar compost in. Zaai en plant hierin, en zorg voor mulch.

Geef water (lang) na zonsondergang, zodat er weinig verdampt. Vermijd temperatuurshocks (ijskoud putwater over verhitte planten). Geef water op (of in!) de grond, niet op de plant (waar het druppels kan vormen die als een vergrootglas stralen kunnen bundelen en het blad verbranden).

(Moderne technieken gebruiken druppelslangen en (ondergrondse) zweetslangen en pompen, of vochthoudende korrels.)

Zuinig en weinig water geven kan volgens het doopselprincipe. En door gebruik van de olla pot. Een olla is een rondbuikige pot met een korte, brede hals. Hij werd vroeger ook gebruikt als kookpot en asurn. In de tuin is de olla (spreek uit als ojja) een ongeglazuurde, poreuze, terracotta irrigatiepot die tot aan de nek wordt ingegraven tussen de planten. Je vult hem met water en legt een deksel over de opening (tegen vuil, verdamping, muggen). De koelere ondergrondse opslag verhindert verdamping. De plantenwortels groeien naar de pot toe en onttrekken er water aan. Je vult hem 1 à2 maal per week en bespaart zo 50-70% water en veel werk. Door de afsluiting kunnen muggen geen eitjes leggen in het water.

Voor de winter moet je de pot uitgraven en binnen bewaren (tegen bevriezen).

(Hetzelfde waterdoorlatend principe wordt in de zeer gebruikt als koelkamer(tje).

Je kan zelf een bruikbare pot maken door een bloempot te gebruiken. Maak het bodemgat dicht door een laagje mortel in de pot te gieten, en gebruik eventueel een passende aardewerk schotel (uit hetzelfde materiaal) als deksel.

Combineer allerhande technieken én planten. Plant in gevarieerde groepjes, niet bv prei netjes op een rij. Wortel ertussen zorgt voor schaduw en bodemdekking.

Een aantal zuiderse planten zijn behoorlijk droogte bestendigd: druiven, olijven, vijgen, lavendel …

Kies voor gewassen met een kort groeiseizoen, en voor miniatuurvariëteiten die minder water nodig hebben om vruchten te ontwikkelen.

(Redelijk) droogtetolerante groenten:

  • Armeense komkommer
  • artisjok Jeruzalem
  • asperges (meerjarig)
  • aubergine
  • cowpea (droogtebestendige lange boon met zwarte ogen)
  • groen gestreepte cushaw squash
  • kikkererwten
  • lima boon Jackson Wonder
  • mais Black Aztec en Hopi Pink
  • meloen Iroquois’
  • Mosterdgroente (soort Chinese ijsbergsla)
  • Motboon (Vigna aconitifolia)
  • okra
  • paprika’s
  • pepers
  • peulvruchten allerhande
  • rabarber (eenmaal volwassen)
  • snijbiet
  • Tepary bean
  • watermeloen Suiker Baby
  • wereldbol artisjok (Cynara cardunculus)
  • zoete aardappel

Dek ook de composthoop af met een schaduwgevende laag, en begraaf vochtige materiaal onder de bovenlaag (koffiedrab, rot fruit e.d.)