Vole au vent: vlieg(t) in de wind

.. een vechtende wesp valt plots vlak voor mijn knieën op de koer. Ze heeft een vrij grote, zwarte vlieg te pakken. Na 10-12 seconden beweegt de vlieg niet meer. Maar het ‘gevecht’ en gedraai blijft wel nog doorgaan.

Ze neemt haar buit mee, vliegt omhoog en gaat op een blad van de druivelaar zitten. Hoewel de vlieg bewegingloos is, blijft de wesp druk bezig. Ik probeer van dicht bij te zien of ze haar prooi aan het oppeuzelen is. In een flits zie ik iets naar beneden vallen. Ik heb niet kunnen zien wat het was. Maar de vlieg heeft nu blijkbaar geen hoofd meer. Dus zo pakt die moordenaar dat aan.

Zijn drukke gedoe vermindert helemaal niet. Ze beweegt zo veel en snel dat ik niet kan zien wat ze doet. Eten? Er valt weer een stipje. Amper te zien. Een pootje. Aha… Ze is dus overtollige niet eetbare onderdelen aan het wegknippen. Om de paar seconden wordt de buit compacter. Ze verplaatst zich naar een tak van de druivelaar en gaat even intensief verder. Dan valt er een dikke brok. Dat begrijp ik niet goed, want ze is nog steeds met de vlieg en haar ledematen bezig. Ik kijk snel even naar beneden en zie de brok voor mijn voeten liggen. Straks eens nader bekijken, ik wil de rest van het spektakel niet missen. Nog een pootje. En als laatste de tweede vleugel. Ik vermoed dat de maaltijd nu klaar is voor consumptie. Vole au vent: vlieg(t) in de wind. De jacht was succesvol, ze gaat er vandoor met haar gestripte vangst.

Van de pootjes en vleugels vind ik niets terug. Maar die grote brok wel. Ongelofelijk. Nog voor alle pootjes en vleugels er af waren heeft deze jager haar prooi gestroopt. Voor mij ligt een leeg chitineomhulsel van het achterlijf! Kwestie van het vliegtransport niet te belasten met overbodige ballast.

Lattensplijten voor planfonds en muren

Ruwweg tussen 1870 en 1950 was lattenklieven & een (bij)beroep, vooral rond Beernem en Sint-Joris, waar de inwoners nog lattenklievers worden genoemd. Het ambacht heette lattenspletten (-splijten). De latten werden met latnagels (met een grote kop) gespijkerd op steunbalken als drager voor stucwerk. Ze waren 25-30mm breed en  ca. 5m dik, met evenveel tussenruimte. De basisspecie bevat kalk, zand, water en fijn gehakseld stro. Voor de afwerking werd witkalk gebruikt. De pleister krulde deels door de spleten waardoor hij goed vast zat. De gespleten latten (van 80 tot 120cm lang) waren beter dan gezaagde. Die namen door de open celstructuur van het hout te veel en te snel vocht op uit de specie, waardoor die ging barsten. Met de opkomst van gipsplaten verdween dit ambacht grotendeels.

De latten werden ook gevlochten tussen stijlen, zoals bij het vakwerk bij de constructie van lemen huizen.

Voor de Franse markt werden eiken latten gemaakt, in Vlaanderen ging het om fijnspar en den. Rechte stammen met weinig (of geen) vertakking zijn het meest geschikt. Ze werden op maat gezaagd (meestal 1 m lang), ontschorst en in (4) kwartieren gekloven met een wig en kliefhamer. De stammen werden op een hakblok (olifantenpoot) tussen de spriet geplaatst.

De lattespriet was het enige typische gereedschap. Het is een soort verankerde zaagbok met aan de bovenkant twee in hoogte en breedte uit elkaar lopende benen (of bomen, in V-vorm). De verkleinde kwartieren werden hier tussen geklemd om de latten af te splijten.

Het lattenmes werd in L-vorm op een steel gezet, zoals een bijl. Maar de scherpe kant zat niet op het einde, maar aan de bovenkant. Het mes wordt in het hout gedrukt (of (met de hand) geslagen). Door met de steel als hefboom te wrikken werd er een lat ‘gesplet’. Meestal was dit straalsgewijs. Een mindere kwaliteit waren de gepelde latten, die evenwijdig aan de buitenkant van de stam werden gespleten.

De bundels werden samengeperst en gebonden met een bindpaard (zie mutsaard, bij: De oven stoken).

In de streek rond Sint-Joris waren er in 1929 nog 26 fabrikanten-lattenklievers actief die samen 215 werknemers waaronder ook veel thuiswerkers in dienst hadden. Vanuit een goede stam  kon een handige lattenkliever 25 tot 30 bundels per dag klieven. In een bundel zaten 100 lopende meter latten. Dus meestal 100 latten van 1 meter. Er werd ook maatwerk geleverd met dikkere (of langere) latten.

Info over dit onderwerp komt in hoofdzaak van het Centrum Agrarische Geschiedenis, https://cagnet.be/page/home)

Hellingen beplanting tegen erosie

Adviezen van tuincentra en -architecten prijzen hiervoor enkel een verkoopbaar plantengamma aan, zonder motivering. Gelukkig hebben enkele (vooral Nederlandse) overheidsdiensten wel wat ervaring, studies en jaren projectopvolging (1980 en 1990) m.b.t. dijken en dammen. Daar valt wel wat uit te leren.

Essentieel is dat je de grond begroeid moet laten (of maken). Behoud zoveel mogelijk van de natuurlijke vegetatie als die er al is. Werk met streekeigen planten die op de ondergrond gedijen. Welke dat zijn zie je als je in de omgeving rondfietst, en let op diverse taluds van dijken, graften en holle wegen. Als ik om me heen kijk naar spontane begroeiing lijkt me dat vlier het hier uitstekend doet, hoewel hij niet diep wortelt. Maar moet dat?

Wat is beter tegen taluderosie? Diep- of breedwortelende planten? Dat is geen of, maar een én-verhaal. Diversiteit geeft stabiliteit. We kiezen voor vegetatie met een dicht, sterke en goed vertakt wortelnet met -voor de humusvorming bladverliezende- meerjarigen (die behouden hun wortelgestel).

Wie omgewaaide bomen bekijkt kan vaststellen dat de wortelkluit zich hoofdzakelijk situeert in de voedselrijke, levende bovenste schijf van 30 cm. Alle boomwortels zijn genetisch in staat om vele meters (+10m) diep in de grond te groeien, maar waarom zou je onnodig veel moeite doen? De (boom)soort is minder bepalend voor de worteldiepte dan wel de grondwaterspiegel, de doordringbaarheid, het aanbod aan voedingsstoffen, zuurstof (liefst +15%) en lucht.

De boom met de diepste wortels is een vijgenboom in de Echo Caves bij Ohrigstad in Zuid-Afrika. Hij wortelt tot 400 diep.

Van druiven weet ik dat ze geteeld worden op hellingen, en zeer kunnen diep wortelen. Ook plataan gaat graag diep, in tegenstelling tot  berk, els en beuk.

Kies voor het stabiliseren van een helling voor een gelaagde vegetatie met op de bodem pollen- en  zodenvormende grassen en bodembedekkers die via stolonen en uitlopers vertakken. Alle struiken en kruidachtigen zijn geschikt in de tussenlaag.  Voor de bomen in de toplaag kan je hakhoutbeheer toepassen (zonder in hetzelfde jaar alle bomen af te zagen).

Bij het aanplanten kan je rekening houden met vruchtopbrengst (bessen e.a.) en het nut voor bijen (met gespreide bloeitijden). Plant 1 struik/m²  in driehoekig of geschrankt patroon. Voor een haag kan je  4 planten per meter zetten. Maak eventueel een twijgenvlechtwerk tussen palen (of levende stekken), en/of terrassen.

Net als veel pioniersplanten ontwikkelt helm (helmgras, duingras Ammophila arenaria) lange wortelstokken die als ze licht zien een nieuwe spruit vormen en meters diep naar water zoeken. Het wordt gebruikt om zand vast te leggen als zeewering. Maar is dus alleen op zandgrond nuttig.

Bij de vaak aanbevolen taludbeplanting beperk ik me tot regionale of gangbare struiken: brem (Cytisus scoparius), dwergmispel (Cotoneaster), forsythia, hazelaar  (Corylus avellana), hondsrozen (Rosa canina), hulst  (Ilex aquifolium), kamperfoelie (Lonicera), klimop (hedera), kornoelje (Cornus mas), kruipende jeneverbes (Juniperus communis), kruipflox (Phlox stolonifera), liguster (Ligustrum), maagdenpalm (Vinca minor), meidoorn  (Crataegus), netels, gevlekte (en allicht ook alle andere), sering (Syringa vulgaris), sleedoorn  (Prunus spinosa), sneeuwbes (Symphoricarpos albus), spar (Picea), taxus (Taxaceae), winterjasmijn (Jasminum nudiflorum)

Vetiver (Chrysopogon zizanioides) is een overblijvende grassoort uit India die tot anderhalve meter hoog en breed wordt. Ze wordt om de 15cm geplant om de wortels te laten verstrengelen. Het wortelgestel gaat tot een diepte van twee tot vier meter. Dit maakt het gewas zeer geschikt als oeverversterking, grondfixatie voor drijvende eilanden, erosiestopper, veevoer en om water en voedingsstoffen uit de diepte naar boven halen.

Fysische en chemische grondeigenschappen die bepalend zijn voor de erosiebestendigheid : aggregaatstabiliteit, infiltratiecapaciteit, bulkdichtheid, grondstructuur, organisch materiaal, hellingsgraad, contourvormen en terrassen.

Een aggregaat is een opeenhoping, cluster of kluwen van aaneengekleefde gronddeeltjes die een kruimelstructuur vormen in de bovenste laag of bouwvoor, waarin de meeste wortelvorming en gewasverbouwing gebeurt. Tussen de vrij los van elkaar liggende aggregaten zitten poriën die lucht en water bevatten en doorlaten.

De ontwikkeling van aggregaten hangt af van organisch materiaal en kitstoffen van bodemorganismen als bacteriën die allerlei stoffen uitscheiden.

De aggregaat stabiliteit is het percentage aggregaten dat overblijft na onderwerping aan de natte zeefmethode of mini regenvalsimulator.

Bij verslemping (versmering  verdichting, dichtslaan van de bodem) scheiden de gronddeeltjes zich en verstoppen de poriën in de grond. Verslemping wordt weergegeven met een cijfer tussen 1 en 10 waarbij een waardering van 6 of hoger amper verslempt. De slempgevoeligheid is het grootst bij lutumpercentages van 8 – 17% (lichte klei).

Verdichting door zware machines kan tot een diepte van meer dan 60 cm onder het maaiveldniveau optreden. De dichtheid is de massa per eenheid van volume (kg/l of ton/m³). De vaste stof dichtheid is gewogen exclusief de poriën, de korreldichtheid is de korrel met de poriën erin, en de bulkdichtheid is het (monster)materiaal inclusief holle ruimtes tussen de korrels.

De bulkdichtheid is een indicatie voor het aantal poriën in de bodem en dus  ook voor de graad van verdichting. Die leidt tot afname van zuurstof en bodemleven, en slechte doorwortelbaarheid en ontwatering met toenemende schade aan bodem en planten en kans op wateroverlast. Bij zandgronden is sprake van bodemverdichting als de bulkdichtheid hoger is dan 1,6 gr/cm³. Bij kleigronden is de normwaarde > 1,75 – 0,0009*(% lutum) gr/cm³.

Humus verbetert de structuur doordat het de gronddeeltjes aan elkaar bindt (maar niet zo sterk dat er kluiten ontstaan), en doordat het vocht goed kan vasthouden. Bij voldoende organische stof in de bodem komt verslemping minder vaak voor.