Categorie archief: Natuur en milieu

Dag boek van Beuk (3)

Op hete zomerdagen trokken we met de Chiro naar een koele bosbeek.
 

 

 

 

 

Uitermate geschikt om een halve dag te ravotten. Er was open ruimte om te spelen, een afwisseling van schaduw en zon, stenen en takken om de beek af te dammen en zo een dij-hoge zwempoel te maken. En aan een monumentale, schuin over de beek hangende beuk had een durfal een dik zeel geknoopt. Je kon er als Tarzan over de ravijn zwieren. Terwijl alle toeschouwers klaarstonden om te schateren als je er in viel, of van de glad getrapte wanden terug de beek in slibberde.

Ik wist dat er 100 meter verder nog gegraveerde beuken moesten staan. Allicht de moeite om op een zonnige novemberdag een wandeling te maken. Verrassing: het touw hing er nog. Althans, er hing nog steeds een flink, gelijkaardig zeel pal boven de beek. Maar nu in een andere boom. De oude beuk had het begeven. Gezaagde stukken van zijn kruin lagen verspreid op de andere oever. De rest van de nog staande stam was al flink aangetast door zwammen. Maar aan zijn voet was een opvolger uitgeschoten. En op een door zijn wortels samengehouden landpunt in de beek hield een nog maar twijg-groot kleinkind de laatste blaadjes voor dit najaar vast. Hoop voor de toekomst.

De verschillende getatoeëerde stammen van de beschreven beuk waren door de tand des tijds grotendeels onleesbaar. Winter 2016. De jaartallen die de beuk onthield waren 1974, 1923 en zelfs 1905! In de vrij makkelijk te beklimmen stam waren nog vers gekraste hartjes te vinden. JAZZ Bilzen was door een liefhebber aan het beukenboek toegevoegd.

De beek tussen Hoefaert en Kriekaert spoelt veel herinneringen weg. Maar evenveel blijven er hangen aan de stammen van de beuk, aan de takken van de bomen. Generaties kwajongens en gezinnen hebben hier zomerse zondagen doorgebracht. Misschien moet ik nog eens met een mes terugkomen, om voor volgende generaties een boodschap achter te laten. Zoals ene Tomy BIJNENS hier ooit deed.

Naast de beek een kei waarin gebeiteld staat:
Stiltegebied Zwarte put, 12 oktober 2012

En in de beek, onder het beukenboek:
In zijn wieg neemt het water tijd en teken geruisloos mee

Plastic & ic…

Het afdakje aan de achterbouw bij ons moeder was aan vervanging toe. Het was grauw en vuil, en liet nog weinig licht door. Vorig jaar nog grondig schoongemaakt. Maar na een paar schoonmaakbeurten is het oppervlak zo ruw dat het dubbel zo snel weer aankoekt door algen en zweefvuil. Je kent ze wel: golfplaat op rol, versterkt met wat glasvezel.

De doe-het-zelfzaak had net golfpaneeltjes van de juiste lengte, ‘crystal clear’. En bijhorende schroeven met ringen en doppen. Met een paar uur werk was het makkelijk te vervangen. En de oude rol was nog welkom bij Share & Care om een afdakje te maken om een aanhangwagen onder te zetten.

 

Bij het demonteren viel op dat alle schroeven wat los leken te staan van de golfplaat. Er zat overal meer dan een millimeter speling op. Daardoor gingen ze ook makkelijk los, met een racagnac. Wat een woord. Maar zo heet dat ding hier. Google leert me net dat er ook een Nederlands woord voor is: een ratelsleutel. Bij de 5de schroef werd het duidelijk: de speling tussen schroef en plaat was veroorzaakt door de tand des tijds. Deze ene had nog een randje, een restje onder de kop zitten. Plastiek. Ooit had er een plastieken ring met een afdekkapje opgezeten. Net zo’n ding als ik in de verpakking van de nieuwe schroeven zag.

En toen ik het oude dak er af haalde, vielen er nog tientallen steunblokjes onderuit. Ook plastiek. Verduurd. Dus ze vielen gewoon stuk. Ik heb ze maar snel bijeen geveegd om te vermijden dat ze verder verbrijzeld en verpulverd zouden worden door er op te trappen. (Voor de nieuwe versie had ik vooraf houten steuntjes gemaakt.)

De kapjes over de schroeven waren al lang weg. De ringen dus ook, voor 98%. Verbrokkeld en verdwenen. In het niets opgelost? Onder invloed van UV afgebroken door het zonlicht, en met het regenwater netjes mee weggespoeld. Door de goot, door de riolering. Verwaaid en verspreid. Om nu geleidelijk aan via o.a. bier en mosselen terug op onze tafel terecht te komen.

En ja, ’t is zo gemakkelijk: crystal clear plastieken platen, schroefkapjes en ringen. Het zal weer voor jaren goed blijven. Maar het zal niet goed blijven. Foute boel dus.
Moeder is er wel mee geholpen. Er is nu veel meer licht in haar naairuimte en binnen. Maar een duurzame oplossing is het helaas niet. Met ons korte-termijn-denken en onze ‘beste koop’ beslissingen verzieken we onze wereld en onze achterkleinkinderen.
Sorry kids….

Het was maar een afdakje van 7,5m2. Maar in de straat staan er waarschijnlijk nog 5 meer, en grotere. En in het dorp zijn er zo ‘n 20-tal straten. En de fusiegemeente telt meer dan 10 dergelijke dorpen. Waarvan Limburg er 44 (?) heeft. Maal zeg maar 9 provincies voor België…
Eigenlijk dus compleet onverantwoord dat zo’ dingen nog gemaakt en verkocht worden. Tonnen plastic die gedoemd zijn om in de oceaan en op ons bord terecht te komen.

Hoe moeilijk is vliegen?

Twee citroengeeltjes fladderen met hun fel contrasterende kleur over de overjaarse, uit de kluiten gewassen paarsblauwe lavendel. Ze snoepen van een bloempje, en fladderen al snel naar het volgende. Meestal zijn ze in minder dan een seconde alweer vertrokken naar een ander nectarbekertje. Hun gefladder lijkt amper gecoördineerd. Een dagpauwoog en een koolwitje komen ook foerageren. Geen vloeiende lijnvlucht, maar hoekige omwegen. Lijkt me weinig efficiënt.

De twee grote flappers die ze daarvoor telkens in beweging zetten doen me twijfelen of het beetje nectar dat ze vinden eigenlijk wel genoeg energie levert om naar een volgende landingsplaats te gaan. Andere insecten lijken me logischer te vliegen (en zweven). Welke zou de meest energiezuinige manier van vliegen zijn? Vlinder versus vlieg, of libel, kever, wesp…? En bij uitbreiding een kolibrie, vleermuis, albatros…?

Soms als er een bui aankomt wordt die voorafgegaan door meerder korte en felle windstoten. Je zou denken dat vliegende insecten dan gewoon weggeblazen worden. Of alleen nog met de wind mee vliegen. Toch doen ze dat niet, let er maar eens op. Vliegjes, en zelfs dikke, pluizige hommels slagen er nog altijd in dwars op en zelfs tegen de wind in te gaan.

Zou er ooit onderzocht, of theoretisch berekend zijn via computersimulaties welke de meest efficiënte manier van vliegen is? Er zijn al kunstmatige vogels en insecten gemaakt die kunnen vliegen, dus ik neem aan dat daarvoor al wel wat studies gedaan zijn. Doen wij het met de stramme vleugels van onze vliegende tuigen beter dan een fladderende vlinder?

“Biomimetica of biomimicry is de wetenschap en de kunst van het imiteren van de beste biologische ideeën in de natuur om menselijke toepassingen uit te vinden, te verbeteren en duurzamer te maken.” Iemand zal er al wel mee bezig geweest zijn. Hoe kunnen we best vliegen?

Of moeten we wat meer vlinderen?
(‘Ongericht, zorgeloos en zonder plan door het leven gaan’ volgens een definitie, tegenover: ‘met een mechanische troffel een betonvloer gladstrijken’.)